Bron: privecollectie | Familie de Vries samen met Betty Franschman, het Joods onder gedoken meisje

De oorlog in Heerlen in kleine momenten

We woonden  in een van de Rou Houser op de Benzenraderweg. De naam Rode Huizen sloeg niet alleen op de rode pannen maar ook op het feit dat er een paar socialisten woonden. Wij waren gereformeerd en mijn vader kocht in 1930 een van de 10 huizen voor f 5000.

Mijn moeder had liever in de Mevrouwtjesbuurt gewoond maar daar mochten alleen mensen wonen die niet met hun handen werkten en mijn vader was machinist bij de Nederlandse Spoorwegen.

Bron: privecollectie | Familie de Vries samen met Betty Franschman, het Joods onder gedoken meisje. De oudste zoon is Hans die ook nog dient bij de Zwarte Panters en later bij de NAM gaat werken. De jongste is Ru die later kunstschilder, beeldhouwer (o.m. bij St.Gerlach) en jaren de cartoon maakt in het Limburgs Dagblad. De middelste ben ik. Ik heb psychologie gedaan aan de VU en ben nog quizmaster geweest bij de Tros (Alles of Niets) Mijn vader was machinist bij de NS, mijn moeder was voor haar huwelijk secretaresse op het stadhuis van Coevorden.
Bron: privecollectie | Familie de Vries samen met Betty Franschman, het Joods onder gedoken meisje. De oudste zoon is Hans die ook nog dient bij de Zwarte Panters en later bij de NAM gaat werken. De jongste is Ru die later kunstschilder, beeldhouwer (o.m. bij St.Gerlach) en jaren de cartoon maakt in het Limburgs Dagblad. De middelste ben ik. Ik heb psychologie gedaan aan de VU en ben nog quizmaster geweest bij de Tros (Alles of Niets)
Mijn vader was machinist bij de NS, mijn moeder was voor haar huwelijk secretaresse op het stadhuis van Coevorden.

Het is 10 mei 1940 en nog geen 4 uur in de ochtend. Mijn grootmoeder, die bij ons in woont hangt uit het raam van mijn slaapkamer. Ze draagt een roze nachthemd en praat kennelijk met de buurman. “Het is oorlog”, schreeuwt die. Een uur later sta ik te kijken naar de Duitse troepen die , over het zwarte weggetje, van Vrusschemig naar Benzenrade trekken. “Wo gehen wir hin?” , vraagt een Duitse soldaat.

Op de Eurenderweg stopt een motor met zijspan. De motorrijder vraagt de mensen of ze bij elkaar willen gaan staan en naar hem zwaaien. Dan maakt hij een foto. Ik sta er ook op. Als ik thuis kom is mijn moeder bezig met een vluchtkoffertje. Het is bijna vol als ik er de bijbel nog bovenop leg. Maar mijn moeder zwiept die er meteen weer uit. In de maanden die volgen imiteren mijn leeftijdsgenoten met veel enthousiasme de volwassen wereld. Overal worden clubs opgericht. Met stokken en stenen en namaakzwaarden gaan we elkaar te lijf. We marcheren en zingen de soldatenliederen van de Duitsers. Onze club van de Benzenraderweg heeft zelfs een rode kruis afdeling van 2 buurmeisjes. Ik raak bij de gevechten met de Mevrouwtjesbuurt een beetje gewond en word op een brancard door onze verpleegsters weggedragen.

“Zo wil ik later ook worden”
Op de Valkenburgerweg gaan we kijken naar de Belgische en Franse gevangengenomen soldaten die in eindeloze rijen naar Duitsland moeten lopen. De bevolking van Heerlen is gul en geeft de soldaten brood en drinken. Ik sta bij een groepje Belgische soldaten. Een mevrouw geeft een korporaal een stapel boterhammen. Die deelt ze uit aan zijn uitgehongerde soldaten. Zelf neemt hij niets. “Zo wil ik later ook worden” denk ik.

Het verhaal gaat dat in de Akerstraat een Duits soldaat een Marokkaans soldaat een gebakje uit de handen heeft geslagen. Die Marokkaan heeft de Duitser gepakt bij boven- en onderkaak  en toen zijn gezicht uit elkaar gescheurd. Ook zou er een Marokkaan, die ontsnapt was, in de Weltervijver zijn gesprongen, waardoor alle vissen waren doodgegaan. Dat heb ik zelf gezien. Dat die vissen daar dood in het water dreven.

Duiven zijn nog niet verboden en buurman Dassen heeft de merkwaardige gewoonte de Nederlandse vlag te hijsen als hij zijn duiven weer naar huis wil lokken. De Duitsers zien het en vermoeden een opstand.  Dassen moet de Duitsers uitleggen dat zijn daad niet vijandig bedoeld is en komt er met een ernstige waarschuwing vanaf.

Het is 1941 en zit in de vijfde klas van de Talmaschool op de Bekkerweg. We hebben les van mijnheer Slothouwer. En dan stappen er zomaar twee mannen in leren jassen de klas binnen en zeggen tegen de meester dat hij met hen mee moet gaan. Hij loopt met de twee mannen de klas uit en dan komt de meester van de vierde klas, meester Sneep, onze klas binnen. Hij vertelt dat onze meester is gearresteerd.  De hele klas huilt. Slothouwer zit drie  maanden in de gevangenis in Scheveningen en komt dan vrij. Hij komt ook een avond bij ons thuis om zijn verhaal te vertellen. Ter gelegenheid daarvan heeft mijn moeder een cake gebakken. Slothouwer houdt zijn plakje cake omhoog en zegt: ” Dat hadden we in Scheveningen niet”.

Bombardement
In de nacht van 5 op 6 oktober 1942 voeren de Engelsen met 256 toestellen een bombardement uit. Bedoeld was Aken maar door een vergissing wordt vooral Zuid-Limburg getroffen. Bij ons op de Benzenraderweg vallen 8 doden. Een van hen is de heer Goerke, directeur van de carosseriefabriek aan, wat nu heet, de Oudemolenstraat. Ook de Mevrouwtjes buurt is zwaar getroffen. Peter Spit komt een nachtje bij ons slapen. Hun huis is even onbewoonbaar. Ons huis heeft 14 gebroken ruiten en de deuren zijn ontzet.

Sera de Haan
In 1943 krijgen we een Joods meisje in huis. Ze is 4 jaar en volstrekt overstuur. Alleen Hans mijn oudere broer kan haar troosten. Betty heeft een klein koffertje,  in haast gepakt,  met o.m. een bontjasje en een pak speelkaarten. Mij n  moeder neemt de speelkaarten tussen duim em wijsvinger en laat ze in het vuur van het fornuis vallen. Het bontjasje wordt opgeborgen. Bontjasjes passen niet bij ons soort mensen. Ook onze socialistische buren de familie de Haan krijgt een Joods meisje: Sera Polak, van nu af Sera de Haan. Ze is veertien en weet van dingen waar wij zelfs geen woorden voor hebben.

Op een mooie dag wandelen we om met een hele groep kinderen uit de buurt en komen we bij de ingang van het Imstenraderbos. Daar hangt aan een boom een groot bord met de waarschuwing: Voor Joden verboden. Sera schrikt en zegt: “Daar mag ik niet in!”. Huub Storm zegt nog: “zwijg!”, maar niemand schenkt er verder enige aandacht aan. We lopen gewoon door het Imstenraderbos in, ook Sera.

Op 14 augustus 1944 wordt op de  Molenberg WA-man Raeven door het verzet neergeschoten. Hij was voortdurend bezig met het zoeken naar Joodse onderduikers en werd te gevaarlijk. Peter Moors en ik gaan kijken naar de begrafenis aan de Akerstraat. De dode Raeven wordt in zijn graf toegesproken door een WA-man in uniform. Hij zegt : “Kameraad Raeven, gij zijt gevallen door laffe moordenaarshand”. Dat spelen wij later als jongens nog weleens na. Een van ons ging dan op de grond liggen en een ander hield dan de grafrede met: “Kameraad Raeven , gij zijt gevallen door laffe moordenaarshand”.

Einde van de oorlog
Een paar dagen voor de bevrijding is er het gerucht dat een groothandel in de Vlotstraat sigaren zou verkopen. Dat slaat natuurlijk nergens op, maar in no time staan er bijna honderd mensen daar voor de deur. Dan komt vanuit de Akerstraat een Duitse auto waaruit SD-agenten springen die met machine-pistolen beginnen te schieten. Mijn broer Hans en ik rennen voor ons leven. Er zijn, blijkt later, maar vier gewonden..

Op mijn benen heb ik lelijke zweren. Ik loop het Duits lazeret bij de Valkenburgerweg  binnen en laat ze zien aan de Duitse legerarts. Zonder een woord te zeggen verbindt hij de zweren met hagelwit verband. Mijn ouders zeggen er niets over. Hulp van de Duitsers dat mocht natuurlijk niet.  En zwijgen was het antwoord op veel problemen.

Op zondag 17 september 1944 verteld Ko Smit,een buurjongen, dat hij op de fiets naar Benzenrade is geweest en dat daar de Amerikanen al zijn. Vanuit ons venster aan de achterkant van het huis zie je ze ook lopen bij de Vroedvrouwenschool. Er zijn inmiddels wat Duitsers gearriveerd en die brengen een stuk antitankgeschut in stelling. Onze buurt besluit naar Benzenrade te lopen en ook mijn vader en moeder gaan, nagestaard door de Duitsers, op weg. In Benzenrade zie ik de eerste Amerikaanse soldaat. Hij belt aan bij Cuypers de melkboer. Wiel Moors en ik besluiten niet meer terug te gaan en lopen tegen de stroom van Amerikaanse soldaten in naar Gen Dael. Daar krijgen we kauwgum van een soldaat. Laat in de middag gaan we toch terug naar de Benzenraderweg.  Dat gebied is inmiddels bevrijd.  De Amerikanen nemen de Duitsers hun ringen en horloges af en gooien die voor het kijkend publiek. Maar de mensen rapen die spullen op en geven ze terug aan de Duitse soldaten. In de Leonard Stassenstraat is een Duitse mitrailleurschutter gesneuveld. Zijn helm ligt, met zijn hersenen erin,nog dagen langs de kant. Ik wil die helm graag hebben maar dit gaat me te ver.
Tussen de huizen bij ons op de weg plaatsen de Amerikanen lichte tanks model M5A2. De bemanning bestaat uit 3 man.  De soldaten worden bij ons ingekwartierd. Wij krijgen Ray Toricelli en John Fresconi. Onze buren krijgen een echte Indiaan. Overal langs de weg staat munitie zonder bewaking.

Op 8 oktober begint de aanval op Aken dat op 21 oktober valt. Het is de eerste Duitse stad in geallieerde handen en moet van de Fuhrer coute que coute worden terugveroverd. De Amerikanen leggen  “een ring van vuur” om Aken heen om de Duitse herovering te beletten. Overal staat geschut dat dit moet waarmaken. En iedereen  is gelukkig met de koperen hulzen van de houwitsers type 105 mm. Daar worden mooie vazen van gemaakt en handige asbakjes. Verder gebruiken de Amerikanen ook de Long Tom van 155 mm. Dat geschut kent geen hulzen maar heeft een vuurkamer waar zakken kruit in worden gestopt. Ik had zo’n zak met kruit bij ons in het schuurtje verstopt maar merkte dat iemand er telkens kruit uithaalde. De dader bleek mijn grootmoeder die in de keuken telkens een handvol kruit gebruikte om de sjlam in het fornuis aan het branden te krijgen. Tussen boerderij De Rousch en het Benzenraderbosje komt een vliegveld voor artillerieverkenningsvliegtuigjes.

“Onze tanks” worden ingezet bij het Roeroffensief. De avond dat ze weg moeten, nemen Ray en John huilend afscheid. Het wordt 1945. Op het moment dat we de handen uitsteken om elkaar een gelukkig nieuwjaar te wensen gaat het luchtalarm. We geloven onze oren niet. Maar het is echt waar. De Duitsers gooien nog een paar bommen op Heerlen. Het zijn de laatsten.

Ingezonden verhaal

Ingezonden verhaal

Als lezer van HeerlenVertelt.nl zal het vaak voorkomen dat u gebeurtenissen, locaties of gebouwen herkent. Wanneer u graag zelf een verhaal hierover wilt schrijven en insturen kan dit natuurlijk!

18 thoughts to “De oorlog in Heerlen in kleine momenten”

  1. Geachte heer De Vries,

    Ik ben lid van de Heemkundevereniging Welten-Benzenrade en heb uw artikel met veel interesse gelezen! Kunt u misschien wat meer vertellen over het vliegveldje tussen De Rousch en het Benzenraderbosje? Alvast hartelijk dank voor uw medewerking!

    Hoogachtend,

    Marcel Krutzen

    1. Beste Marcek,
      Er is een keer een Duitse aanval op het vliegveldje geweest door een me 109 die zich losmaakte van een groep en naar beneden dook. Hij werd volop geraakt door de vierlingsmitrailleur die t.o. het Bezeraderbosje stond. Wij hadden de Duitse vliegtuigen zien aankomen en waarschuwden de Amerikenen. Maar die geloofden ons niet. Voor zover ik weet is het duikende vliegtuig niet meer omhoog gekomen en neergestort. De piloot leefde nog maar kon niet meer uit het wrak komen.Hij is ter plekke bediend door de pastoor van Welten.als je er meer over weet hoor ik dat graag. Met vr.gr.Bert

    2. Ik zou graag wat meer willen weten over de fam. De vries. Dit in verband met Betty Franschman. Haar ouders hebben bij ons in Grubbenvorst ondergedoken gezeten in 1943. Eventueel graag het telefoonnummer van een van de zonen van Bert (inmiddels overleden)..
      Met en vr . Gr.
      Piet Boutenj

      1. Beste mijnheer Bouten,

        Wellicht kan ik u aan meer informatie helpen, ik ben een dochter van Bert.
        Als u mij per mail even kunt laten weten welke informatie u zoekt ?

        Met vriendelijke groet,
        Erica de Vries

  2. Mooi verhaal, Bert.
    Ik ken je nog van vroeger want ik was het overbuurvriendje van Wolly Smit op de Heerlerbaan, waar ook een Joods meisje zat ondergedoken, Hannie, met wie jij jaren later nog iets hebt gehad, zo beweert zij althans in het boek over haar jeugd. Een naar boek overigens, waarin zij de familie die haar met gevaar voor eigen leven onderdak heeft geboden, op een bittere manier natrapt.
    Iets anders: Je hebt het over Rou Housen. Ik heb geen idee hoe je aan die benaming komt, maar het Heerlens dialect voor Rode Huizen is roee hoezer.
    Hartelijke groeten van Jan Hendriks, oud-journalist

    1. Beste Jan,
      Bedankt voor je compliment Hannelore was ondergedoken bij mijn Oom Bert en Tante Jans’ en heeft een mooie tijd gehad op Hb 51. Haar kritiek is vooral litterair geïnspireerd Ik heb nog steeds contact met haar. Wolter is een zonderling geworden en woont in Groningen.
      Hoor graag van je. Bert

      1. Misschien goed om het boek van Hannelore Wolf -De gekruisigde God nogmaals te lezen maar dan door de ogen van een kind van 11 en geschreven door een vrouw die een ferme afkeer kreeg van religie , niet zozeer een afwijzing van de mensen die haar liefdevol opvingen in hun huis als de in haar ogen vreemde gebruiken die met religies samengaan. Had zij de communicatie als 11 jarig meisje geschreven dan was het wellicht niet zo gekleurd door wat ze nu als volwassene weet.

  3. Prachtig opgetekend. Mijn vader vertelde dikwijls over de oorlog. Hij woonde met zijn ouders en zusjes op de Bongerd. Helaas overleden.
    Heb granaatscherf waar mijn opa ingegraveerd heeft: 31-12-1944. Deze is dwars door huis gevlogen en blijven steken in rioolbuis op toilet.
    Op Kerkplein zijn mensen omgekomen.
    Groet, Ineke Eurlings.

  4. Beste

    Ik heb Uw verhaal gelezen.
    Mijn ouders woonden ook op de Benzeradeweg ,maar ik heb het verhaal in flarden gehoord.
    Vooral het zwijgen en het “mooie”is ons verteld.
    Nu kan ik niet meer vragen,maar ben vrij om te zoeken

      1. Hallo

        Ik lees Uw reactie nu pas.
        Helaas.
        Mijn vader is een zoon van hem en ik ben zijn kleindochter.
        Ik probeer wat meer aan de weet te komen en dat is me gedeeltelijk gelukt.
        Waarschijnlijk weet U meer?
        Of kunt u nog wat toevoegen.
        Vr gr
        Riet Deutz

  5. Hallo Bert,

    Prachtig je verhaal. Ik kende wel wat dat verhaal via Ru, die een goede vriend van mij is.
    In het verhaal over de duiven van Dassen, schrijf je dat het jullie buurman was.
    In mijn herinnering woonde die evenwel niet direct naast jullie maar verderop aan de Benzenraderweg, richting de stad, vanuit jullie huis gezien. De familie Dassen had veel kinderen, waarvan de jongste dochter Ineke later een vriendin was van mijn vrouw. Ook was er een zoon Huub.

    1. Dag Hubert,
      Ik zoek nog informatie over 1943 rond mijn ouderlijke woning aan de Benzenraderweg 201. Als jij de Huub van de bakker bent, heb je zeker nog interessante informatie voor mij.
      Fijn als je contact zoekt.

      Groet,
      John Hawinkels

  6. Mooie jeugdherinneringen, meneer de Vries. Met belangstelling uw verhaal over de begrafenis van Math Raeven gelezen! Voor als het u interesseert: in december 2014 heb ik een boekje geschreven en gepubliceerd over deze liquidatie, nadat ik nabestaanden van slachtoffer én schutter had opgespoord. Titel “Een maandag in augustus”, voorzien van foto’s en afbeeldingen. Zie op GOOGLE voor verdere bijzonderheden…

Laat een reactie achter op Piet Bouten Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.