Bron: NTR/VPRO | Vuilnisman Dhr. Sprado

De jaren ’40 en ’50 op het Dr.Schaepmanplein (2)

De komende weken verschijnen er enkele verhalen over het Dr. Schaepmanplein op de Molenberg. Hierin probeer ik een beeld te schetsen van het leven in de jaren ’40 ( vanaf mijn geboorte in 1946 ) en de jaren ’50. We gaan verder bij huisnummer 8.
Dit verhaal is onderdeel van een serie verhalen over het Dr. Schaepmanplein op de Molenberg.

Nummer 16
Nu komen we bij nummer 8, de Familie Koonen. Hier kan ik me niet veel van herinneren; ik weet alleen nog dat een van de zonen Piet heette.

Nummer 18
Daarnaast woonde de heer Ceelen, bijgenaamd ” de oliekont “. Hij bracht leesbladen rond, zoals wij dat toen noemden. Tegenwoordig zou je zeggen: hij distribueerde magazines. Klinkt wat bekakter maar betekent hetzelfde. Daarna betrok de famikie Rörik, vader Hennes, de moeder en de zusjes sjeannie en Marga alsmede de zoon Rob de woning. Hennes was nogal een opgewonden standje! Af en toe kon hij behoorlijk uit zijn slof schieten! Hij was eigenlijk groenteboer maar door omstandigheden moest hij hiermee stoppen. Hij ging hierna als bovengronds mijnwerker aan de slag, maar in dit werk voelde hij zich nooit helemaal op zij plek. Misschien was dat een verklaring voor zijn soms knorrige humeur.  Zijn hobby was ( hoe kan het ook anders ) de duivensport. ( Koelpiet, Doevepiet, zurrig dat dich de kat nit kriet! ). De familie Rörik was de vaste leverancier van water en stroom voor de kermislui als er weer eens kermis op het plein was.

Vroeger waren er geen vuilcontainers. Het zg. ” grof vuil ” werd eens in de vier weken ’s maandags op de stoep gezet. Hennes ging dan op zondagavond langs alle plaatsen waar grof vuil buiten stond en haalde er allerlei fietsonderdelen uit en nam ze mee naar huis. Zijn zolder was een ware verzamelplaats van onderdelen. Waarom weet ik dat zo zeker? Wel, toen Hennes en zijn vrouw, toen ze ouder werden, het huis moesten verlaten kwam Mw. Rörik naar mij toe met de vraag of ik fietsonderdelen kon gebruiken. Aangezien ik in die tijd wat bijverdiende met het repareren van fietsen waren die onderdelen van harte welkom. Toen ik met Mw. Rörik op zolder kwam wist ik niet wat ik zag! Talloze fietswielen, sturen, frames, pedalen, koplampen etc. nam ik mee naar huis.
Zoon Rob is later geruime tijd eigenaar geweest van de frituur aan de Kerkraderweg (vroeger Friture Merckelbach).

Nummer 20, 22, 24, 262, 28
We gaan verder naar nummer 20. De weduwe Snijders woonde hier. Deze dame stond bekend om haar grote liefde voor katten. Ze had er zeker een stuk of 6!

Mevrouw Elizabeth Snijders in haar woonkamer (jaren '50)
Mevrouw Elizabeth Snijders in haar woonkamer (jaren ’50)

Naast haar op nummer 22 huisde de familie Aalders. Helaas weet ik hier geen bijzonderheden meer van.

Op nummer 24 woonde het bejaarde echtpaar De Groot. In mijn herinnering waren dat een beetje teruggetrokken mensen die niet zoveel contact hadden met de overige ” pleiners “.

Nr. 26 werd bewoond door de bejaarde heer Franssen, een zeer oud en kras baasje. Hij bezat een koe. Die stond naar ik meen in een wei die gelegen was op het terrein waar later het stadion De Kaldeborn zou worden gebouwd. Die koe was zijn lust en zijn leven. Ze werd dagelijks gevoerd en gemolken. Het voer bestond o.a. uit aardappelschillen die hij bij ons in de buurt kwam ophalen. Hij kwam op zijn fiets met een aardapppelzak op de bagagedrager. Hij kwam altijd ” achterom”, klopte op de achterdeur en riep: ” Madam, ich kom vuur de sjale “. Op een zekere dag miste mijn moeder haar schilmesje. Inderdaad, u voelt hem al aankomen! Het mesje zat tussen de schillen die de koe te eten kreeg. Gelukkig voor het dier had Franssen het mesje gevonden. Als dat niet was gebeurd en de koe zou het mesje hebben doorgeslikt zou het er niet best hebben uitgezien voor het arme beest. Het mesje werd overigens keurig bij moeder terugbezorgd. Meneer Franssen droeg altijd een kort wit jasje, zomer en winter, elke dag van de week. Behalve ’s zondags; dan had hij een mooi zwart pak aan.
Dat witte jasje is hem overigens ooit goed van pas gekomen. Op een donkere winteravond reed hij met zijn fiets, zonder licht, aan de verkeerde kant van de Voskuilenweg. Ik kwam met mijn scooter vanuit Heerlen de Voskuilenweg op en reed bijna tegen meneer Franssen aan. Dank zij zijn witte jasje zag ik hem op het laatste moment en kon een botsing voorkomen. Ik zei: “meneer Franssen, dier mot oetkieke en et leeg aadoeë”. Zijn antwoord verbaasde me nogal. “Ich han gee leeg nuëdig um te kieke woe ich vaar en oetkieke hoof ich al gaar nit; doe bis jonger es ich”. Ik heb maar niks meer gezegd want ik lag bijna dubbel van het lachen!

Dan verder naar nr. 28. Volgens mijn oudste broer Otto woonde hier een man die men ” der Geitenpiet ” noemde. Verder is over hem niets bekend.

Nummer 30
Op nummer 30 woonde het gezin Sprado, vader, moeder en dochter Hilletje. Het waren een beetje teruggetrokken, stille mensjes. Meneer Sprado werkte als vuilnisman bij de gemeentelijke reinigingsdienst. Hij reed met een duwwagentje waarop twee grote zinken vuilnisemmers waren bevestigd door de straten. Met een grote platte schop, een z.g. “bats ” en een lange takkenbezem veegde hij de straatgoten, ” de gut ” schoon en deponeerde de troep in een van de emmers. Dochter Hilletje was een lang, mager en sprietig meisje. Wij vonden haar zelfs in die tijd al een beetje antiek maar aardig was ze wel.

Bron: NTR/VPRO | Vuilnisman Dhr. Sprado
Bron: NTR/VPRO | Vuilnisman Dhr. Sprado

Nummer 32
We komen bij nummer 32 waar de familie Daems woonde. Het gezin bestond uit vader, moeder en 2 zonen, de oudste heette Ton en de andere was Guus. Vader Daems was busschauffeur bij de L.T.M. Het was een rustige en vriendelijke man met als hobby zijn scooter, een Goggo. Dat merk zag je hier niet zo heel veel. Dit type had een heel kenmerkende ronde neus.
Hij vetroetelde zijn scooter elke dag. Als het had geregend werd hij meteen weer gepoetst. Toen hij er  na een behoorlijk aantal jaren niet meer nieuw genoeg uitzag werd het ding helemaal gestript; de motor, wielen, stuur en de volledige bedrading, alles ging eraf totdat hij alleen de beplating over hield. Die werd keurig geschuurd en geplamuurd en weer geschuurd, daarna knalrood geschilderd ( met de kwast ). Het resultaat was verbluffend; een autospuiter had het hem niet verbeterd! Daarna werd alles weer opgebouwd en zie daar: een nieuwe Goggo was geboren.
Moeder Daems was een vriendelijke en zorgzame vrouw. Ze was geboren in de Duitse stad Minden. Zoon Ton moest zijn dienstplicht vervullen. Dat was toen nog zo’n twee jaar; als je tekende voor uitzending naar Suriname hoefde je maar een jaar te dienen. Hij deed dat en vertrok voor een jaar. Zijn broer Guus had een bijzondere gave; na het avondeten kon hij de soep die hij van tevoren had gegeten weer naar buiten laten komen zonder dat er iets van aardappelen of vlees meekwam. ( Goor hé? ). In die tijd kreeg Guus zijn eerste brommer, een splinternieuwe Royal Nord! De kleur was blauw-grijs metallic. Wij reden op ouwe lijken zoals Mobyletje, Solex, Berini. Je kunt je voorstellen dat we liepen te kwijlen toen Guus met zijn Royal Nord op de proppen kwam. Dat ding blonk zo mooi en rook zo lekker nieuw. Lang heeft hij er niet van kunnen genieten.
Op een kwade dag wilde hij vanuit het paadje naast hun huis de straat oprijden; waarschijnlijk gaf hij iets teveel gas want hij schoot ongecontroleerd de straat op en werd geschept door een auto! Brommer total loss, Guus ook. Zeer ernstig gewond werd hij afgevoerd naar het ziekenhuis. Wekenlang lag hij in coma. Iedereen dacht dat hij er nooit meer bovenop zou komen, maar na lange tijd was er sprake van lichamelijk herstel. Helaas was hij door een hersenbeschadiging zijn geheugen kwijt. Toen ik hem na zijn ziekenhuisperiode thuis bezocht zei hij tegen mij ” Hallo Ton, ben je weer terug uit Suriname?”. Van die dag af verwisselde hij mij altijd met zijn broer. Het is nooit meer helemaal goed gekomen.

Nummer 36
Het hoekhuis op nummer 36 werd bewoond door de familie Tuinman. Meneer Tuinman was vrachtwagenchauffeur. Als hij ’s avonds thuis kwam parkeerde hij zijn vrachtwagen op straat voor hun huis. In mijn beleving was het een enorme auto waar zand en grind mee werd vervoerd.

Nummer 38

Op nummer 38 huisde het gezin Huijbrechts, vader, moeder, een dochter en de zoon Jos. Aanvankelijk woonden zij in de Guido Gazellestraat maar ze verhuisden naar het plein. Vader ( Boep noemden wij hem ) handelde in glas voor ramen en deuren. Hij was gespecialiseerd in het bewerken van het glas zoals zandstralen e.d. Het was een bekwame en rustige vakman.
Toch heb ik hem een keer minder rustig gezien. Hoe dat zo kwam? Wel, op een ” goede ” zondag toog het gezin, zoals in die tijd iedereen dat deed, naar de kerk. Iedereen de beste kleren aan en op naar de H.mis. Na afloop naar huis in afwachting van de traditionele warme maaltijd. Als het eten was verorberd ging je even op de divan of in de luie stoel een uiltje knappen.
Boep had nog steeds zijn goeie pak aan, een vrij nieuw donkerbruin exemplaar met een dun krijtstreepje. Mooi man!  ‘S middags zou het gezin nog even uitgaan maar een van de jongens was met mijn oudere broer Harrie nog even buiten aan het spelen. Boep wilde zijn zoon roepen maar hij kon hem niet meteen vinden. Uiteindelijk vond hij de twee jongens.
Wat er nu precies gebeurde weet ik niet maar op een gegeven moment rende Boep achter mijn broer aan. Op het plein, ter hoogte van de L.T.M.-bushalte werden werkzaamheden aan het riool of de elektriciteit uitgevoerd. Er was daardoor een lange diepe put ontstaan die vol stond met modderig water. Tijdens de wilde achtervolging sprong Harrie over die put naar de andere kant, geen probleem. Boep sprong ook, EEN GIGANTISCH PROBLEEM. Hij viel languit in de modder. Woedend natuurlijk.
Op naar huize Otten. Hij belde aan, ik deed de deur open. Toen ik Boep daar zo zag staan, van onder tot boeven druipend van de modder, gierde ik het uit. Gevolg; een briesende Boep. Mijn vader kwam erbij, die kon zijn lachen ook nauwelijks inhouden. Boep wilde verhaal halen over zijn pak . ” Kiek noe es, mien schun nuj pak is gans noa de kloeëte! ” maar pa ging daar niet op in…

Wordt volgende week vervolgd.

Ton

Ton

Ton Otten is in 1946 op de Molenberg geboren. Na 6 jaar Broederschool heeft hij 4 jaren op de St.Henricusmulo gezeten. Daarna ben is Ton naar de Luchtmachtkaderschool in Arnhem gegaan waar hij na een opleiding van 27 maanden bevorderd werd tot sergeant. Na op diverse Nederlandse vliegvelden te zijn gelegerd heeft Ton de dienst na bijna 7 jaren verlaten. Het ABP werd in 1970 zijn nieuwe werkgever, eerst in Den Haag en in 1972 in Heerlen. Daar heeft hij tot 2002 gewerkt. Toen kwam Ton in de WAO. Sindsdien houdt hij zich bezig met het repareren van klokken en met het schrijven van korte verhalen en gedichten, het liefst in het "plat". Het schrijven voor "Heerlen Vertelt" ziet hij als een leuke mogelijkheid om een steentje bij te dragen aan het doorgeven van een stukje geschiedenis aan jong en oud.

20 thoughts to “De jaren ’40 en ’50 op het Dr.Schaepmanplein (2)”

  1. Geweldig Ton,

    Zit in Spanje op de camping deel 2 van je pleinverhaal te lezen.
    Vooral “Boeb” en familie ken ik wel.
    In de 70 er jaren heb ik nog vaak gesproken met Boeb die toen op de Glasmij werkte.
    Ben weer benieuwd naar de volgende aflevering!

  2. Ton het is een mooi verhaal heel nostalgie,s.
    Maar toch een opmerking ik ben begonnen met de friture van Hein (Hamers)(stond op de plek waar nu de huisartsenpost is) deze keet huurde ik van Wiel Verwijlen cafe eigenaar.
    Dat was in begin 1974 in april 1975 verhuisde ik naar het pand van Sjoester Tackenberg tegenover de broederschool waar naderhand de ruimte van kapper Voncken nog bij kwam.
    Een mooie tijd als frietbakker op de Molenberg
    Maar met de Fam.Merckelbach had Rob Rörik niks mee.
    Bij deze doe ik een poging om aan een foto van die frietkeet te komen.Alvast bedankt

  3. bedankt voor je reactie, Rob. Nu je het zegt, Hein Hamers had inderdaad de friture in de houten keet.sorry dat ik de feiten met betrekking jouw “frituurverleden”niet juist heb weergegeven.

  4. Ton,

    Nóóit geweten dat je zo vlijtig was in schrijven, het is gewoon geweldig dat men zo iets over de geschiede
    nis van Molenberg kan teruglezen!
    Ga zo verder!
    Ik zal het proberen aan de Familie Smeets door te mailen, wat jij, Ton, schrijft over de Molendberg!
    Groeten Jan Smeets.

    1. bedankt voor de aanvulling op mijn artikel Wilma. Dit is precies de bedoeling: onjuiste info van de schrijver corrigeren zodat een zo volledig mogelijke weergave van de feiten wordt verkregen. Groetjes. Ton Otten.

      1. Beste Wilma,
        Toch klopt het nummer 38 niet. Voor zover als ik mij herinner was nummer 38 aan de overkant, daar woonde o.a. de familie Ariaans oftewel
        bloementoontje. Het zou best kunnen dat Boeb met zijn gezin daar later zijn gaan wonen. Maar aanvankelijk hebben ze naast de familie Tuinman gewoond. Afgelopen week heb ik gelezen dat mevrouw Huybreghs overleden is. Was dit jouw moeder of jouw oma, Wilma?
        Groetjes, Harrie.

  5. Ben de weduwe van Ton Daems het verhaal de rode verf klopt niet helemaal dat was de auto van Ton die met de kwast geverfd is een D.k.W. onze eerste auto.
    Guus heeft zijn geheugen helemaal terug gekregen en is alleen in de aow terecht gekomen .Hij is gelukkig gertouwd met Martha Orbans en woont in Heerlen.

    1. hoi Ria. Bedankt voor je correctie. Wat goed om te horen dat het goed gaat met Guus! Is het mogelijk dat Guus eens contact opneemt met mij? Groetjes. Ton Otten

  6. Beste Ton,

    Ik heb nog wat aanvullingen op jouw kroniek over het Dr. Schaepmansplein. Mijn naam is Hein Aalders (geboren in 1959) en ik woonde met mijn ouders en mijn broer Piet (geboren in 1956) tot circa 1965 op huisnummer 22 (door jou aangegeven als huisnummer 11 doch dat klopt niet).

    Mijn moeder (geboren als Anny le Noble) was getrouwd met (wijlen) Theo Aalders. Pap werkte als gasfitter bij de firma Keuls en later ging hij voor de Limagas werken. Onze buren waren aan de ene kant tante Snijders (van de katten) met haar oude zuster tante Netje en aan de andere kant waren dat opa en tante De Groot. Opa De Groot was een oud mijnwerker die ernstig leed aan stoflongen.

    Het verhaal van de familie Thijssen herken ik evenals dat van de slager die de eerste telefoon had.

    Daarentegen had mijn vader zo’n beetje als eerste een (bedrijfs)auto op het plein. Een tempo matador (Hanomag) van zijn werkgever (Fa. Keuls) en mijn ouders hadden zo’n beetje als eerste een zwart/wit televisie waarop vervolgens de halve buurt ’s avonds bij ons kwam kijken. En iedereen nam dan wat te eten of te drinken mee. Zo kwam tante Netje met twee flesjes bier voor mijn vader. Dat waren nog tijden waarin er sprake was van gemeenschapszin.

    Evenwel heeft ook vreselijk onheil ons gezin in die jaren getroffen. Nog voor mijn geboorte heb ik een zusje gehad (Loesje, geboren in 1955 en op een tragische manier in 1958 overleden). Dat zal destijds niemand aan het Dr. Schaepmansplein zijn ontgaan.

    In 1965 zijn wij naar de Heerlerbaan verhuisd.

    Succes en met vriendelijke groet,

    Hein

    1. Dag Hein,

      Och, wat is dat toevallig. Ik kan me nog goed herinneren dat ik mijn moeder hoorde vertellen dat jouw zusje overleden was. Zelf, ik was toen een jaar of acht, heb ik nooit geweten wat de oorzaak was. Daar werd niet over gepraat, ook omdat het overlijden heel veel indruk op mijn ouders gemaakt had. Jouw moeder, Anny Le Noble, heeft bij ons thuis verstelwerk gedaan, wat in een gezin met zeven kinderen (!) geen overbodige luxe was. Ik herinner me vaag dat we als kinderen bij jouw ouders tv gekeken hebben, en dat jouw moeder mijn moeder verzekerde dat we geen uitzending van de Vara zouden zien! Maar ik dacht dat jullie toen in het ‘witte dorp’ woonden.

      Hein, ook al kennen we elkaar niet, wat is het bijzonder om zo met elkaars jeugd in aanraking te komen.

      Groet,
      Margriet

  7. Hallo

    Ik ben de kleindochter van Ceelen, en het verbaast mij dat hij de olie kont genoemd wordt.Heb zelf jaren op de Molenberg gewoond en hier heb ik nooit van gehoord. Daarbij hebben mij opa en oma op nr, 18 gewoond.
    Ik hoop hier nog eens een antwoord op te krijgen.

  8. Dat Guus Daems een ongeluk kreeg dat weet ik zelf nog goed,
    dat was schrikken voor deze buurt,familie Daems hadden destijds een colly
    verder heb ik zelf nog op het netvlies liggen de dood van politieman Sprang hij lag thuis opgebaard,is toen met een koets begraven
    de dood van de zoon van familie Braam niet te vergeten tussen Voerendaal en Klimmen,
    ik herrinner mij ook de man 2 huizen van mijn opa en oma in de Roemer Visserstraat 6 die beide benen af had ik ben zijn naam kwijt,hij had als ik mij niet vergist een Henkel 3 wieler waar de deur naar voor open ging.
    de heer Tuinman was een eigen rijder,met zijn kleinzoon Conny heb ik nog op school gezeten,
    Rob Rorik ken ik ook nog, hij is in de leeftijd van mijn oudste zus

  9. Hoi Harrie, Wilma en de andere lezers bij wie verwarring heerst over de huisnummers:
    Ik ben onlangs , dank zij een andere lezer, in het bezit gekomen van de originele huisnummers van het plein.
    Ik zal zo spoedig mogelijk een afbeelding met de juiste nummering laten plaatsen.
    Dus nog even geduld aub.
    Groetjes.

  10. Hoi Harrie, wilma en andere lezers bij wie terecht verwarring heerst over de huisnummers.
    Binnenkort laat ik een nieuwe afbeelding plaatsen met de juiste nummering.
    Groetjes.

  11. Hallo luitjes,
    Hierbij wilde ik reageren op “Geitenpiet” van nr. 28. Piet heette van achteren v.d.Kroft en was getrouwd met Bertha Dijkman, een dochter van Karel Dijkman die in de Dr.Schaepmanstraat op no. 8 woonde. Piet en Bertha hadden twee dochters: Irene en Anneke. In die tijd had Piet in het schuurtje achterom een geit en de dochters moesten regelmatig met dat beest op pad om te laten eten. Dat gebeurde vaker langs de spoorlijn met Schaesberg waar ook de Sjaaspieken en de Muehlepieken met elkaar slaags raakten! Persoonlijk ben ik ook regelmatig met dat beest op pad gegaan en liet hem o.a. eten van het grasveld van onze buren Karel Dijkman (wij woonden op nr 10 in bij Opa Braam (97) met de klompen).
    In 1956 emigreerde de familie naar Australie. De ouders scheidden daar en Bertha en de kinderen kwamen in 1960 weer terug naar Heerlen. Bertha is in augustus 2008 (84) overleden. De dochters zijn nog steeds gelukkig met man, totaal vijf kinderen en zeven kleinkinderen! Vermeldenswaard is ook dat Opa Karel Dijkman (93) als timmerman aan de eerste Blauw Sjuut van Heerlen gewerkt heeft!

  12. Hoi Jan,
    Dank zij jou is er weer een stukje van het ontbrekende puzzeltje opgelost . We weten nu eindelijk de echte naam van Geitenpiet.
    Ik hoop dat de 4 ontbrekende namen ooit ook nog worden achterhaald.
    Groetjes. Ton.

  13. Op nr. 28 woonde mijn oom Piet van der Kroft toen getrouwd met Berta zij hadden 2 kinderen Irene en Anneke zij zijn toen naar Australien geemigreerd en een paar jaar later is berta met de kinderen terug gekomen.
    Ik kan me nog zo goed herinneren dat wij er op bezoek gingen met de fiets vanuit Waubach en wat ik me heel bijzonder herinner is dat zij een kleine erker hadden en daar stond een eiken theekastje in en voor ca 3 jaren heb ik dat zelfde kastje op de kop kunnen tikken.
    Irene of Anneke als jullie dit lezen neem dan met mij contact op zou zo graag willen weten wat van jullie geworden is groet jullie nicht els van der kroft 2de dochter van je vaders oudste broer

    1. Hallo .Wat leuk om dit te lezen. Ik ben oorspronkelijk van de Molenberg en heb samen met Anneke in de eerste klas gezeten ,waarvan ik nog een klassenfoto heb. Zij was en dat kan ik mij nog goed herinneren een heel vlot meisje en was( niet), voor die tijd op haar mondje gevallen. Zie haar nog zo voor mij en zij was bevriend met Leentje Braam een leuk meisje die daar ook in die straat woonde.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.