Onder de rook van de Emma naar de mijntandarts

In de jaren tussen 1955 en ongeveer 1962, mijn lagere schoolleeftijd , stond ik ingeschreven als patiënt bij de mijntandarts van het A.M.F.
Het gebouw waar de mijntandarts zetelde was gelegen bovenin de Kouvenderstraat in Hoensbroek onder de rook van de Staatsmijn Emma waar mijn vader werkte als meesterhouwer.

Bron: Rijckheyt.nl | Kouvenderstraat. Op de achtergrond de schacht van de Staatsmijn Emma.
Bron: Rijckheyt.nl | Kouvenderstraat. Op de achtergrond de schacht van de Staatsmijn Emma.

Ons leven stond in die jaren helemaal in het teken van de mijnen, de kerk, en de school. Discipline, gehoorzaamheid, respect voor de paters, de nonnen en juffrouwen, de huisarts en ook de tandarts hoorden daar helemaal bij.

Het A.M.F. (Algemeen mijnwerkersfonds) had bedacht dat wij twee keer per jaar naar de tandarts moesten ter controle van ons gebit z.g. om erge problemen te voorkomen. Men noemde dat gebitssanering.
Ik vergeet nooit de aanblik van de uitnodiging die bij ons op de schoorsteenmantel stond wanneer ik uit school kwam. Een lichtgroene kaart voorzien van een foto waarop een kind stond die bij de tandarts in de stoel zat en waarop vermeld was dat het weer tijd werd voor een controle met vermelding van datum en tijd. Ik meen mij te herinneren dat je ergens tussen 9 uur en 12 uur kon komen want ik ging altijd voor ik naar school moest gaan.

Bron: Rijckheyt.nl | Akerstraat (februari 1979). Gebouw van het Algemeen Mijnwerkers Fonds.
Bron: Rijckheyt.nl | Akerstraat (februari 1979). Gebouw van het Algemeen Mijnwerkers Fonds.

Ik ging al vrij jong alleen want vader moest werken en moeder moest thuis blijven bij mijn jongere zusje die nog niet op school zat. Ik weet nog dat ik vanaf dat moment tot dat het zover was zeer onrustig sliep met als hoogtepunt de nacht van te voren. Ik probeerde mezelf rustig te houden door te denken dat het niet perse akelig hoefde af te lopen maar veel hielp dat niet. In mijn beleving regende het ook altijd op de bewuste dag en dat maakte de hele toestand nog droeviger.

Een droevige week
Het kwam ook wel eens voor dat ik in dezelfde week nog moest gaan biechten met de school en tot overmaat van ramp naar de kapper moest. Dan had ik alle vervelende dingen tegelijk maar dan was ik er ook weer voor een tijdje van af.

De tandarts was wat frequentie betrof het minst erge, n.l. twee keer per jaar, biechten moesten we een keer per maand bij gelegenheid van de eerste vrijdag van de maand en dat deden we klassikaal onder leiding van de juffrouw of een zuster (non), en de kapper wanneer moeder dat nodig vond. Mijn zusjes en ik gingen altijd naar herenkapper Heunen in de Wilhelminastraat die ook kinderen knipte voor een gulden en ik moest van mijn moeder altijd erbij zeggen: “Zo kort mogelijk” ik denk uit zuinigheidsoverwegingen. Ik vond dat niet zo leuk want als het te kort geknipt was moest ik de eerste tijd altijd aanhoren: “Ben je van de trap gevallen?” dus probeerde ik dat niet te zeggen maar ja dan liep je het risico dat je een zonde deed in het kader van gehoorzaamheid en dat moest je biechten dus dat was ook niet aan te bevelen.

Zo zie je maar hoezeer de Kerk, de school, en de hele maatschappij met elkaar samen hingen. Ik vond dat toen al een grote mate van bemoeizucht met mijn nog jonge leven en ik kreeg daar een benauwend gevoel van. Wanneer ik er nu aan terug denk dan voel ik dat nog.

Maar nu terug naar de tandarts.

Wanneer de dag van de afspraak was aangebroken ging ik ’s morgens met knikkende knieën op weg, ik had op school al doorgegeven dat ik wat later kwam. Het was een heel eind lopen want wij woonden in Mariarade.

Het tandartsbezoek
Aangekomen bij het AMF-gebouw moest ik eerst een grote trap op naar boven alwaar een grote wachtkamer was waar je een nummertje uit een automaat moest halen. Er waren twee automaten, een voor de eerste letters van het alfabet en een voor de tweede helft er van.
Elke automaat gaf een andere kleur nummer b.v. een rood en de ander groen en je moest die automaat nemen die bij de beginletter van je achternaam hoorde zodat je goed wist in welke behandelkamer je moest zijn. Er was behandelkamer A en behandelkamer B.
Ik moest altijd in behandelkamer A want mijn achternaam begon met een A.

Met de moed der wanhoop nam ik plaats in de wachtkamer in de buurt van kamer A en ondertussen hield ik scherp in de gaten wie er na mij binnen kwam en wie er al zaten want die gingen nog allemaal voor en die na mij kwamen die mochten niet voor mij naar binnen want hoe angstig ik ook was, ik wilde er wel snel van af zijn. Ik had niet voor niets de hele nacht wakend doorgebracht. Sommige mensen vroegen aan elkaar welk nummer ze hadden, dan wisten ze wie na wie aan de beurt was.

Er waren niet alleen kinderen in de wachtkamer, ook volwassenen, het zat gewoon door elkaar. Tijdens het wachten kon je in de behandelkamer het boren heel goed horen en af en toe hoorde je ook iemand schreeuwen of gillen gevolgd door een boze reactie van de tandarts die ook flink te keer kon gaan. Misschien werd hij af en toe wel gebeten door een angstige patiënt? Onze tandarts heette Kremers, het was een klein mannetje met rode wangen en stevige handen waar ik heel bang voor was. Ik geloof dat zijn broer veearts was en ik vond toen dat hij maar beter ook zoiets had kunnen worden. Hij had ook nog een rond brilletje op met een donker montuur wat hem ook al niet al te vriendelijk uit liet zien. Ik kon mij niet voor stellen hoe iemand zo’n vreselijk beroep kon kiezen, het pijn doen van onschuldige kinderen.

Soms ging de deur open en kwam er iemand met een zakdoek voor de mond in de wachtkamer zitten om te wachten op de werking van de verdoving. Die mocht dus twee keer onder het mes. Medelijdend aangekeken door het wachtende volk in de wachtkamer en af en toe zei eens iemand vol mededogen: “Enne,heeft ie jou te pakken? “ waarop het slachtoffer knikte met een stijf gezicht een denkbeeldige trekbeweging maakte in de buurt van zijn mond. Je kreeg in die tijd alleen een verdoving wanneer er een tand of kies getrokken werd, dus niet voor een zenuwbehandeling of boren, dat was er heus niet bij.
Dat dit alles niet bevorderlijk was voor mijn gemoedsrust is te begrijpen.

Elke keer wanneer iemand aan de beurt was ging er ook nog tot overmaat van ramp een zeer indringende klantonvriendelijke zoemer en dan mocht je wanneer je je er van vergewist had dat het nu toch echt jouw beurt was, naar binnen en plaats nemen in de martelstoel waar volgens mij alle pijn en angst van de vorige patiënten te voelen was. Gelukkig viel het meestal mee bij mij maar ik was dan ook heel onderdanig en volgde elke aanwijzing van de tandarts op want ik wilde geen boze man die ook nog in mijn mond moest werken.

Na elk bezoek ging ik opgelucht naar buiten terwijl ik de spuugbakken gevuld met zand angstvallig meed. Deze stonden in het trappenhuis en waren bedoeld voor mensen die op weg naar buiten nog even hun bloed uit wilden spugen. Tampons om het bloed te stelpen waren er nog niet en ik geloof dat de papieren zakdoeken of handdoekjes nog uitgevonden moesten worden. Het was in die tijd ook heel gewoon dat mensen en vooral mannen op straat spuugden.

De tandarts van nu
Het hele gebeuren staat in een groot contrast met de bezoeken aan mijn huidige tandarts met wie ik mij goede vrienden voel en in wie ik het volste vertrouwen heb dat hij mij nooit of te nimmer pijn zal doen.
Wanneer ik aan de beurt ben komt hij mij vriendelijk uitnodigen en houdt de deur voor mij open.

Laatst moest mijn kleinkind van twee jaar een tandje getrokken krijgen en dat was bijna een feestje vergeleken met de ervaringen die ik had als kind. Het gebeurde in een speciale kliniek. Hij kreeg een roesje en werd al spelend met een beertje in slaap gebracht. Zijn vader en moeder waren beide er bij en hij heeft niet eens geweten wat er gebeurd is. Dit alles om te voorkomen dat hij later bang zal worden voor de tandarts.

En kapper Heunen? Die heeft mij gelukkig nooit pijn gedaan. Zou hij geweten hebben dat zijn voorgangers vroeger ook tanden en kiezen trokken?

Ingezonden verhaal

Ingezonden verhaal

Als lezer van HeerlenVertelt.nl zal het vaak voorkomen dat u gebeurtenissen, locaties of gebouwen herkent. Wanneer u graag zelf een verhaal hierover wilt schrijven en insturen kan dit natuurlijk!

8 thoughts to “Onder de rook van de Emma naar de mijntandarts”

  1. Hoewel opgegroeid in Maastricht (of is dat op deze site vloeken in de kerk?) is het beeld van de tandarts dat hier beschreven wordt universeel. Bij tandarts Coenegracht waren de boortjes in die tijd niet watergekoeld. Je had angst voor de boor en de daarmee gepaard gaande lichte brandlucht.
    Leuk verhaal!

  2. Ik ging onder de rook van de Lange Jan te Heerlen naar de mijntandarts. Dat was een tandarts met rood haar. Ik moest er altijd in mijn eentje naar toe en bleef zolang mogelijk treuzelen om naar binnen te gaan. Als die rooie tandarts voor je stond werd je al bang van zijn blik.
    Ik heb nog nooit een gerustellend woord van die man gehad. Stribbele je ook nog tegen kon je een oorvijg ontvangen. Die heb ik enkele malen gekregen en als ik dan gelukkig weer levend buiten stond dan dacht ik altijd, wacht maar als ik ook eens groot ben dan kun je gelijk een peer terug ontvangen.
    Ik moet zeggen dat de tandartsen nu toch een hele andere opleiding krijgen. Maar ja als ik nu bij de tandarts ben moet ik nog altijd aan hem denken. Heeft een tandarts rood haar zal ik niet zijn patient zijn.

  3. Ook uit dit verhaal blijkt dat wij aan de toenmalige tandartsen geen prettige herinneringen hebben overgehouden. Die van mij, De Ruiter, heb ik in gedachten ook wel eens een beul genoemd (heb dat echter niet vermeld in mijn verhaal “Eens per half jaar: “Spoelen maar”.

  4. tja mijn eerste schooldag was in het jaar 1952 en kort daarna had ook ik
    het eerste kontakt met de tandarts. kurioos: mijn moeder heeft vroeger als schoonmaakster het in het gebouw gewerkt.
    maar hier gaat het om mijn eerste (en ik geloof ook laatste ) bezoek bij de tandarts. we hadden s´woensdagmiddags altijd vrij en zover ik me herinnere
    was op deze woensdag altijd spreekuur voor de kinderen.
    nu er zou geboord worden en dat niet te min.
    de tandarts stond wel al kort voor zijn pensioen, dus ging het werk niet al vlug. de verdoving liet intussen alte wensen over zodat ik inmiddels zonder verdoving behandelt werd. ik begon vreselijk te gillen en ik geloof ik heb ook om heen geslagen en gebeten(die arme man) na een tijdje geprobeerd
    te hebben gaf hij echter op (nadat hij de volgende behandelingen afzegde en wel naar huis is vertrokken)
    nu mijn volgende “bezoek” bij een tandarts was op de kazerne toen ik al een half jaar in dienst was en dit was in 1966 (!)
    dit trauma heeft me heeeeel lang vervolgd bij mijn eerste bezoek ben ik dan ook prombt van de stoel gevallen!!

  5. Ja die tandarts in Hoensbroek herinner ik mij ook nog levendig, hij heette Cremers. Ik beschrijf hem, overigens zonder zijn naam te noemen, in mijn boek MIJN verleden. In mijn herinnering was zijn vader veearts en hij had in ieder geval twee broers die veearts waren. Wat maakt het uit veearts of tandarts, heeft hij misschien gedacht als hij de makke schapen in zijn wachtkamer zag zitten…

  6. Was de naam van een van de tandartsen op de Akerstraat niet Dr. Gruyters?
    Ik ben daar éénmaal geweest, daarna bij Tandarts Starmans, eerst op de Amstenraderweg en later op de Nieuwstraat.
    Nou die Starmans kon er ook wat van. Als hij je pijn deed wilde je mond wel dicht en dan was z’n standaard uitroep ” Moel Oap”

  7. Ik heb zwaar nagedacht over de naam van de tandarts met rode haren en de enige naam die me invalt is Kessels. Zelf ben ik daar nooit geweest, maar klasgenootjes wel. Zelf ging ik naar de Akerstraat, naar tandarts van Beers. Was niet zo erg maar ook weer niet mijn vriend. Maar in de tijd en zelfs wat later bij Schmidts in schandelen was het allemaal geen leuk uitje

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *