Bron: Rijckheyt.nl | De Hema met links op de achtergrond C & A.

De sprookjesvertellers (2)

Het Hema-plein. Daar moest je zijn. Daar voltrok zich gedurende de kermis pas een echt mirakel. Daar vond bij de ‘Elektrische Lichtman’ pas een echt lichtwonder plaats. De kermis werd toen nog gehouden op de Bongerd en het Hema-plein, dat eigenlijk Raadhuisplein heette, maar door bijna iedereen het Hema-plein werd genoemd.

Overal zag je nog de geelwitte vlaggen van de processie hangen, want met de kermis trok de processie door de stad. Eigenlijk andersom. Als de Bronk uittrok, was er ook kermis. Overal zag je ook rustaltaren die nog niet waren afgebroken en ook het gekleurde zand van het taferelenpad, waarover de Almachtige onder de ‘Hemel’ werd gedragen, lag in bonte hoopjes bijeengeveegd in de goot van de stoep. Vrouwen sloegen een kruis en heren trokken hun hoed en mannen lichtten hun pet, als ze langs een dergelijk rustaltaar kwamen. Ook als de processiestoet allang voorbij was.

Dit is deel 2 van “De sprookjesvertellers“.

Zo vroom en eerbiedig waren de mensen nog wel. Ze groetten elkaar ook nog. Alleen de straatmuzikant, die op de hoek voor drukkerij Jongen stond, deed dat niet. Kon dat ook niet doen, want hij droeg een blinkende nikkelen puntmuts op zijn hoofd, waar talloze zilverkleurige belletjes aan vastzaten, die ritmisch rinkelden als hij zijn kop bewoog. Het was een lange rossige man, die een smetteloos witte bloes en dito broek over zijn magere lijf droeg. Samen met dat bewegende hoofd maakte hij met één van zijn benen een schoppende beweging, zodat de dikke trom op zijn rug, die met leren riemen aan zijn enkels verbonden waren, de harmonica op zijn magere borst, ritmisch begeleidde.

Maar dat was nog lang niet alles. Aan de trekzak zat nog een ijzeren staaf, waaraan op mondhoogte een mondharmonica bevestigd zat. De straatmuzikant – die later via Wim Sonneveld in Nederland als Nikkele Nelis wereldberoemd zou worden – was een wandelend orkest. Je kwam hem tijdens de kermisdagen op bijna iedere straathoek tegen. Voor de prijs van één kon de voorbijganger viervoudig genieten van zijn straatconcert. Ook als je geen geldstuk in zijn zinken emmertje gooide, zoals ik, speelde hij zijn deuntje onverstoorbaar door. Ik kon daar minutenlang gefascineerd naar staan kijken.

Maar niet alles op het Hema-plein was zo rustig en vredelievend als die straatmuzikant. Er stonden ook minder idyllische attracties. Op een podium achter de HEMA stond een al wat oudere man, die gekleed was in een chic rokkostuum. Op zijn hoofd droeg hij een zwartglanzende hoge hoed. Aan zijn voeten droeg hij gitzwarte glimmende lakschoenen. Hij zag eruit alsof hij naar een bruiloft moest. Zo ernstig keek hij ook. Zijn wandelstok met zilveren knop was met een dikke elektriciteitskabel verbonden aan een soort lichtmachine. Overal op zijn lichaam zaten draden die aan allerlei elektroden verbonden waren. De man leed, dat kon je zien. Af en toe draaide een kortgerokte assistente even aan een schakelaar. Voor mij stond een dikke, in een bloemetjesjurk verpakte vrouw, waardoor ik niet veel zag. Ik ging vlug ergens anders staan, achter een kleine magere man. Zo, dat was ook weer gefikst.

Bron: Rijckheyt.nl | De Hema met links op de achtergrond C & A.
Bron: Rijckheyt.nl | De Hema met links op de achtergrond C & A.

‘Nu gaat 10.000 volt door het lichaam van deze Lichtman,’ zei ze gespannen. Toen gingen de lampen branden, die overal op zijn rokkostuum bevestigd zaten. Dan liep hij met houterige bewegingen – schokkend als het monster van Frankenstein – als een zombie over de bühne. Als hij niet aangesloten was en niet onder stroom stond, bewoog de Lichtman zich gewoon, sierlijk en elegant zelfs.

‘Het bewegen van het menselijke lichaam is nu eenmaal een chemisch proces dat in de hersenen plaats vind,’ verklaarde de vuurrode lippenstiftmond. ‘We versterken dat proces nog door 10.000 volt stroom door de hersenen te jagen.’ Ze had het over de hersenvliezen, de dara-mater, arachnoiea en de subarachnoideale ruimtes die allemaal in de hersenpan zitten. Het duizelde me, ik begreep ook niet wat ze allemaal zei, maar besefte wel dat deze spannende vertoning uitermate gevaarlijk was.

‘Zijn denkvermogen blijft intact, alleen zijn bewegingen worden als een mechaniek, daarom loopt hij tijdens het experiment ook zo schokkend, zo spastisch,’ verklaarde ze nog. Het was een levensgevaarlijk experiment dat hoogstens tien minuten mocht duren. ‘Een klein foutje en ik ben weduwe,’ riep ze quasi onthutst door de microfoon. Dat wat we buiten zagen was maar een klein voorproefje van wat we binnen te zien zouden krijgen. Het kostte 50 cent en het liep storm. Ook ik ging naar binnen, 50 cent was dit spel met de dood me wel waard. Binnen mocht je de Lichtman ook wat vragen; zijn antwoord werd dan via gedachteoverdracht op een scherm door een ingewikkelde grafiek weergegeven. De assistente vertaalde dan wat de Lichtman had geantwoord. Terwijl de stroom met 10.000 volt door zijn lichaam joeg en overal op zijn pak, tot op de hoge hoed, lampen aan en uit gingen, zakte de bloeddruk van de Lampenman tot gevaarlijk laag, waarschuwde ze nerveus. Een klein foutje en zijn hersens raakten zwaar beschadigd en de man ging dood of was rijp voor het gekkenhuis.

Tijdens het experiment voelde de Lichtman geen pijn, had geen zorgen en kende geen angst. ‘Met 10.000 volt in je lichaam laat het zich goed leven,’ zei ze, het mocht alleen niet te lang duren, dan kon ze naar een andere man uitkijken, vertelde de assistente gemaakt nuchter. Het was griezelig spannend en opwindend tegelijk. Ik was totaal gefascineerd door deze roekeloze flirt met de dood. Heel Heerlen sprak erover.

Het Limburgs Dagblad waarschuwde de mensen dit vooral niet zelf te doen. In Amerika waren al een paar mensen geweest die het geprobeerd hadden en daarbij geëlektrificeerd en totaal verkoold waren, vertelde de assistente onbewogen. Maar daar had je ook van die gekken die zich in houten vaten van de Niagara watervallen lieten vallen. Och, Amerika, dat was nu eenmaal een land van narren en dwazen, vond ik vroegwijs.

Maar dit was nog niet alles wat het Hema-plein aan emotie en sensatie te bieden had. Even verder, links van het gemeentehuis stond de levensverachtende gevaarlijke Steile Wand.

‘Hier een spel met de dood’
‘Een motorspektakel dat zijn weerga niet kent. Sensationeel,’ riep een opgewonden spreker door zijn microfoon. ‘Hier een spel met de dood’, vervolgde hij opgewonden. Het zag zwart van de mensen die allemaal die waaghalzerij wel eens van dichtbij wilden zien. Voordat de voorstelling begon stonden de drie waaghalzen eerst nog een tijdje met hun ronkende motoren op het podium, terwijl de snelsprekende presentator intussen hun gewaagde capriolen aanprees.

‘Deze onverschrokken ridders van de steile wand, deze moedige uitdagers van het gevaar. Als bijen hangen ze met hun motor aan de muur. Voor 50 cent wagen ze hun jonge leven, voor 50 cent kun je dat met eigen ogen aanschouwen; voor twee kwartjes kun je dit gevaarlijke schouwspel persoonlijk meemaken. Je zult het je hele leven niet meer vergeten,’ schreeuwde hij de wachtende menigte theatraal toe. ‘Hier staan ze, de grote helden van de steile wand.’ Twee mannen in zwartleren pakken en een wondermooie blondine, die voor even haar motorhelm had afgezet.

Haar lange blonde haren waaiden sierlijk in de warme avondwind. De leren motorjack half open, zodat je de twee bulten in haar spierwitte blouse kon zien. Daaronder droeg ze een strakke beige rijbroek, die in glimmend zwarte laarzen gestoken zat. Het wapperend vuurrode sjaaltje nonchalant om haar nek, completeerde de outfit van die mooie meid. Ze rookte nonchalant een sigaret. Ze keek daarbij zo onverschrokken de wachtende menigte in, dat ik er rood van werd. Ik verbeeldde me dat ze speciaal naar mij keek, dat ze alleen maar oog voor mij had. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden, zo knap en uitdagend was ze. Ik spendeerde mijn laatste twee kwartjes om haar in doodsgevaar te zien. Ze kostte me mijn laatste geld. Een kwartje voor een rolmops, een dubbeltje voor de zure bom en vijftig cent voor het lichtspektakel en nu dit. Mijn kermisgeld was op.

De inleider had geen woord teveel gezegd. Als enorme bromvliegen hingen ze met hun voortrazende motor aan de steile wand. Gevaarlijk hoog tot boven aan het randje van de houten baan rijdend, zodat je ze bijna kon aanraken, dan weer met een razende vaart naar beneden duikend, reden ze hun gevaarlijke rondjes. Omhoog, omlaag, kriskras door elkaars baan heen rijdend. Even leek het mis te gaan, maar net op het nippertje, op het laatste moment, ontweken de mannelijke motoristen hun mooie collega. Gelukkig, ze leefde nog. De dreiging, het monotone gebrom van de motoren, het risico, de geur van benzine, die wondermooie meid. Ik kwam er maar niet van los. Ze was zo mooi, zo sensueel dat ik – hoewel ik niet wist wat dat woord betekende – er zomaar een raar gevoel in mijn lendenen van kreeg.

Weer naar huis
Het was al een uur of negen toen ik platzak naar huis toe ging. De gele maan stond al aan de sterrenhemel. Boven het kermisterrein zag je daar door de duizenden gekleurde lampjes niet zoveel van, maar op weg naar huis weer wel. Morgen zou ik zeker weer naar haar gaan kijken. Buiten, als ze elk uur weer voor enkele minuten op het platform zou staan; voor binnen, voor entree te betalen had ik geen geld meer. En anders wachtte ik toch gewoon op de najaarskermis, dan zou ze er wel weer zijn. Want ik dacht dat het altijd zo zou zijn; dat alles bleef zoals het was. Ach, wist ik veel, ik was pas tien jaar.

Ik liep door de Saroleastraat naar huis. Onderaan de straat probeerde een visboer zijn laatste paling te slijten. De Royal lag badend in zijn eigen licht. De avondvoorstelling was net begonnen. De mensen hadden er in de rij gestaan. De stoomtrein uit Sittard van 9 uur 10 kwam met knarsende en piepende remmen binnen. De loc liet met veel gesis en gespuug zijn stoom af.

De lange Jan had zijn rode waarschuwingsringen al omgedaan en waakte als een vader over de mijnstad.

‘Meer als een cipier,’ vond mijn vader. Nu ja, hij had recht van spreken, hij kon dat weten, de man werkte immers als ‘ondergronder’, als ‘koelpiet’ op de ON 1, en nu bedoel ik niet het kanariepietje dat mee naar beneden ging om het mijngas op te sporen. Nee, de man wist waarover hij het had.

Onderweg fantaseerde ik dat ik de elektrische Lichtman was, met de mooie blondine achter op mijn supersnelle motor. Ze zat achterop, haar mooie hoofd schuin tegen mijn schouders gedrukt, de armen stevig om mijn borstkas geslagen. Haar lange blonde haren wapperden in de wind. We reden met 140 door de zwoele sterrennacht. Ach, ik was tien en nu eenmaal een fantast.

Ingezonden verhaal

Ingezonden verhaal

Als lezer van HeerlenVertelt.nl zal het vaak voorkomen dat u gebeurtenissen, locaties of gebouwen herkent. Wanneer u graag zelf een verhaal hierover wilt schrijven en insturen kan dit natuurlijk!

2 thoughts to “De sprookjesvertellers (2)”

  1. Hoi Fre,
    Prachtig de verhalen van je. Alles wordt weer tastbaar. Ik zelf heb die tijd heel bewust mee gemaakt. Mijn ouders die hadden een zaak in de Willemstraat. En ja ik ben ook naar de St. Arnoldusschool gegaan. Eerste klas, juffrouw Fija + Juffrouw Leufkens later meester Crijns. Armkeurts. Alzer later de zesde klas meester v.d. Kolk. Hij woonde op de Meezenbroekerweg.
    Crijns had de gewoonte om met de houten liniaal op je handen te slaan als je niet op lette. Je kent hem nog wel. Vierkant en 50 cm lang ( rot ding )
    Apart figuur was meester J. Mourau zangleraar. Hij zette altijd het harmonium tegen de eerste rij en wij trapte dan voorzichtig tegen het doek. Waardoor alles vals klonk. De man had het niet meer. Samen met Wil Godschalk, Jo Piepers en Jan Koopmans allen uit Meezenbroek. Daar trok ik het meest op. Goddienst les kregen we van kapelaan Schins. Het was de dubbelganger van Don Camillo. Hij reed op een oma fiets. Dolle tijd gehad. De kermis zondags middags bots auto`s swing mil, Luna park , stiekem roken, gipsy. Silky de goedkoopste sigaretten, die mocht je niet te lang bewaren, want als je er dan een opstak, dan had je het sigarettenpapier op de lippen en de tabak in je mond. Ze droogde vlug uit. Maar ja je rookte.
    Mijn vader gaf royaal kermisgeld. Ze hadden het veel te druk met de zaak, dus geen tijd. Maar alles bij elkaar, een enorme fijne tijd gehad.
    Ik kom nog regelmatige in Heerlen. Heerlen is heel erg veranderd. De kermissen van toen zijn passe. De jongens waar ik mee optrok heb ik nooit meer gezien. Verdwenen in de mist van de tijd. Laat de verhalen maar komen Fre

  2. Hola, Fer,
    Even een reactie uit Mexico.
    Je schryfstyl vind ik fantastisch . Al hoewel ik Heerlen niet ken van de tyd die jy beschryft , zie ik het allemaal levendig voor me.
    Ik heb 2 boeken van je in myn bezit en als familie vriendin ben ik daar heel erg trots op.
    Ik hoop dat je nog lang door gaat met schryven !

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.