In de wolken

Ik ben geboren op 103 meter boven NAP. Voor een liefhebber van viswater is dat niet veelbelovend. Molenberg en Heksenberg waren de wijken waar ik opgroeide, de Molenberg slechts een half jaar. De Heksenberg verliet ik 20 jaar later, in 1977. Betekenisvolle namen, heuvels dus, met venijnige klimmetjes en altijd tegenwind in de afdaling.


De achtertuin van ons huis aan de Heideveldweg grensde aan de begroeide steenberg van de Oranje Nassau IV met daar achter de uitgestrekte Brunsummerheide. Nu is voor een tienjarige iedere vader een oude man en is een bos een oerwoud waar gevaarlijke dieren huizen. Zo is ook de heide een woestenij. Dat werd mijn terrein waar ik uren achtereen kon ronddolen, jagend achter vlinders, hagedissen, padden en zoekend naar hazelwormen en adders. Sluipen naar konijnen. Maar ook het uitdiepen van schuttersputjes, gegraven tijdens de Tweede Wereld-oorlog. Waar je, als je geluk had, nog oude hulzen kon vinden. Die je na flink poetsen mooi kon laten glimmen.

Samen met vriendjes trok je erop uit, maar vaak ook alleen. Liefst alleen. Want dan kon je het fijnst wegdromen, achteroverliggend in de stug kriebelende heide, starend naar de blauwe lucht waarin wolken de meest vreemde, elkaar bevechtende monsters uitbeeldden. Uren, dagen bracht ik er door. En ’s avonds tekende ik al mijn gevonden en gevangen schatten in mijn zelfgemaakte kaart in, met verse paadjes, bosjes en vossenholen.

 

Schatzoeken

In dit heidegebied was ik niet de enige die naar schatten zocht. Slordig verspreid vond je er oude bruinkoolgroeves en de nieuwere, gestaag uitbreidende zilverzandgroeves van Sigrano. Het waren vooral die verlaten (en verboden!) bruinkoolgroeves die als een magneet trokken. Daar lag oud en verroest gereedschap, maar ook stonden er achtergelaten machines, tonnen en kisten. Ideaal, fantasieprikkelend speelgoed. Maar bovenal vond je er water. Daar, in een van die bruinkoolgroeves vond ik een nieuwe passie. Want groot water is zeldzaam op 103 meter boven NAP. En dit water was groot, zeer groot voor een tienjarige. En helder. Vol met allerlei zwemmend spul. Kikkervisjes, salamanders, maar ook visjes van allerlei soorten waar ik geen weet van had. En zo sleepte ik op mijn tochten een zelf gefabriceerd schepnetje en een emmertje mee. Het netje was bedoeld voor de vlindervangst, maar kon, mits subtiel gebruikt, ook ingezet worden voor de visvangst. De gehele opbrengst ging mee en werd thuis in de kolenschuur heimelijk verstopt in grote weckglazen. Dat vergde de nodige omslachtigheid, want vooral mijn moeder verbood mij, uit grote bezorgdheid, dergelijke tochten ten strengste.

Al snel ging het mis en moest ik na een onvrijwillige val in het water, nadruipend in de keuken al mijn geheimen prijsgeven. Tot ontsteltenis van mijn moeder. Vissen wilde ik. Na wekenlang jengelen en zeuren was mijn moeder het beu en kreeg mijn vader de opdracht om mij mee uit vissen te nemen: “Ga vooral heel vroeg weg, dan is hij het meteen zat.” Als notoire langslaper moest dat voldoende tegengif zijn voor mij. We gingen. En we zijn er nooit meer mee gestopt.

Bron: Rijckheyt | Luchtfoto met links de visvijver van HSV Heksenberg. De vijver werd begin jaren 70 met een brug doorsneden. Rechts Blankevoort, alleen toegankelijk met toestemming van de eigenaresse. Rechts bovenin zwommen enorme karpers. Rechts van beide vijvers de spoorbaan die de ON IV met de ON III verbond.
Bron: Rijckheyt |
Luchtfoto met links de visvijver van HSV Heksenberg. De vijver werd begin jaren 70 met een brug doorsneden. Rechts Blankevoort, alleen toegankelijk met toestemming van de eigenaresse. Rechts bovenin zwommen enorme karpers. Rechts van beide vijvers de spoorbaan die de ON IV met de ON III verbond.

 

De verbeelding aan de macht

Zo groeide ik op met de vijvers, vennetjes en slotgrachten van mijn kaart. En zocht ik naar nieuwe schatten die moeizaam gevonden werden. En waar niet gevist mocht worden. Zoals de vijver Blankevoort, die volgens mijn vader ooit als zwembad diende. Lopend over de spoorbaan die de ON IV met de ON III verbond, kon je het water zien liggen in een parkachtige omgeving. Geen badgasten meer, maar nu zwommen er karpers. Groot maar ook onbereikbaar waren die vissen.

Maar de mooiste schat vond ik in de binnenstad van Heerlen. In de Passage, een benauwende, deels overdekte doorgang tussen de Pancratiusstraat en de Putgraaf. Een van de vele goedbedoelde, maar totaal mislukte vernieuwingen die de Heerlense binnenstad moest opstuwen in de vaart der volkeren. De Passage bood onderdak aan een aantal winkels waarvan al snel het merendeel leeg stond. Ook de groezelige Passagebioscoop, met een wisselend aanbod aan Tiroler seksfilms en spaghettiwesterns droeg bepaald niet bij aan gezellig slenteren door deze uit de kluiten gegroeide gang. Maar deze gang bood ook onderdak aan de Openbare Bibliotheek. De trap af, kelder in, tweede kast aan de linker hand, onderste plank. Daar vond ik onbedoeld mijn grootste schat: sportvisboeken over De Polder. Beschreven door van Onck, van Beurden, Boddeke. En vooral lyrisch beschreven door hengelsportjournalist Jan Schreiner. Want hij was het die mij uitnodigde met titels als: ‘De polder in’, ‘Tussen ruisend riet en plompeblad’, ‘Vastslaan en strakhouden’ en natuurlijk het ‘Groot Sportvissersboek’. Dat laatste boek werd thuis, eenmaal aangeschaft, onze bijbel. En moest voor een tweede maal aangeschaft worden, omdat door het veelvuldige gebruik de rug het had begeven. Letterlijk kapot gelezen dus.

 

Bron: Rijckheyt | Een van de vakantiehuisjes aan de vijver zoals je die kon huren bij de familie Blankevoort.
Bron: Rijckheyt | Een van de vakantiehuisjes aan de vijver zoals je die kon huren bij de familie Blankevoort.

 

Ineens lag hij op tafel, cadeau gekregen bij de aanschaf van een forse hoeveelheid pakken soep: een driedelige splitcanehengel 1). Bruin gelakte cane, de delen voorzien van glimmende bussen die na enig trekken loskwamen met een klein plopje. In het plastic foedraal was ook een extra top meegeleverd. Maar het mooiste was de handgreep: door de greep om te keren kon je de hengel omtoveren van spin- naar vliegenhengel 2). Niet dat ik wist wat een vliegenhengel was, maar de omdraaimogelijkheid was voor mij een vernuftig wonder van moderne techniek. Daarbovenop kreeg ik voor mijn verjaardag een heuse Vendex-molen die voorzien werd van een multikleurige nylonlijn. “Het allernieuwste op dit gebied”, wist de V&D-verkoper ons mee te delen.

De splitcanehengel werd mijn maatje en met Schreiner ging ik ‘de polder in’, gegidst door een grenzeloze fantasie. De vervallen slotgrachten van kasteel Schaesberg werden de weteringen van Kamerik, de vennetjes in de Brunsummerheide werden kruisingen van sloten in Portengen en de bruinkoolgroeven bevonden zich in mijn verbeelding in Wilnis. In mijn fantasie transformeerde ik dat alles met behulp van de boeken van Schreiner. En zo viste ik op brasem in de Heksenbergse visvijver met een wonderpen, een lange Rotterdammer die fijntjes uitgelood moest worden. Dat er in mijn water geen brasem rondzwom, nam ik gemakshalve op de koop toe. Met de verbeelding aan de macht kon een blankvoorn ook een brasem zijn. Met hetzelfde gemak gebruikte ik de splitcane als spinhengel waar een Ondex-spinner aan werd geknoopt. De Terrible spinner 3) bedacht door mijn idool Jan Schreiner was niet verkrijgbaar bij Knops, de lokale hengelsportwinkelier, maar wel had ik een ‘Flopy’ plugje te pakken gekregen. Een van zacht rubber gefabriceerd stukje kunstaas met een verstelbaar schoepje. De Ondexspinner en de ‘Flopy’ hebben jarenlang samen een plastic bewaardoosje gedeeld.

Ook de lokale kroeskarpers werden op de korrel genomen en ditmaal transformeerde een eenzaam pukje riet in die Limburgse groeve tot een volle, wuivende kraag die een Zaanse wetering omzoomt. Kroeskarpers groeien niet groot, maar een splitcane is soepel en buigt diep, waarmee het gebrek aan kracht en snelheid kenmerkend voor de Zaanse karpers ruimschoots gecompenseerd werd.

Zo viste ik in twee jaar tijd de Heerlense bibliotheek leeg. Alleen bij het boek ‘Van scharhaak tot vechtstoel’ haakte ik af. Dit boek verhaalde over het vissen op zee. Zelfs met mijn verbeelding was het niet mogelijk om de slotgracht van Kasteel Schaesberg vol te laten lopen met zilt water.

Bron: Rijckheyt | Openbare bibliotheek in 1972. " De trap af, kelder in, tweede kast aan de linker hand, onderste plank. Daar vond ik onbedoeld mijn grootste schat:..."Bron: Rijckheyt | Openbare bibliotheek in 1972. ” De trap af, kelder in, tweede kast aan de linker hand, onderste plank. Daar vond ik onbedoeld mijn grootste schat:…”

 

In de wolken

Niet zo lang geleden keerde ik weer terug naar 103 meter boven NAP. Veertig jaar ouder, maar ook veertig jaar armer. De bruinkoolgroeve is er nog steeds, maar heeft een keurig wandelpad met bankjes. De gevaarlijke hellingen die ieder jaar weer deels instortten, zijn afgevlakt. Die bezorgde moeders zijn verdwenen. De ruïne van kasteel Schaesberg staat nog overeind, maar lijkt onbereikbaar geworden voor spelende kinderen. De slotgracht is uitgediept en verbreed. Met keurige grasvelden, voorzien van een toilet voor Dames en Heren. Er zijn zelfs plannen om het geheel in oude glorie te herstellen. Mooi, maar het water kleurt donkerbruin en mist de kringen van de dartele goudvoorn. De wandeltocht over de hei naar het oude vennetje valt korter uit dan gedacht, maar ik kan het water niet meer vinden. Een beetje moe van alles vlei ik me neer in de heidestruikjes, staar in de blauwe lucht en zie hoe de wolken nog steeds in gevecht zijn.

 

Bron: Rijckheyt | De Passage in 1976. De tweede pijl geeft de ingang van de Openbare Bibliotheek aan. Foto uit mijn laatste jaar in Heerlen.
Bron: Rijckheyt | De Passage in 1976. De tweede pijl geeft de ingang van de Openbare Bibliotheek aan. Foto uit mijn laatste jaar in Heerlen.

 

1) Splitcanehengels zijn gemaakt van bamboe waarvan het hout in een hoek gespleten en verlijmd wordt tot een hengel. Splitcanehengels werden met de opkomst van glasvezelhengels als ouderwets en dus overbodig ervaren.

2) Spinhengel: hengels waarmee kunstaas (nabootsingen van visjes) geworpen kan worden voor het vissen op roofvis. Vliegenhengel: hengel waarmee nabootsingen van insecten kunnen worden geworpen.

3) Spinners: kunstaas dat bestaat uit een metalen blad dat rondom een asje draait (spint).

 

Bron: Rijckheyt | Zicht vanaf de steenberg van de ON IV op Heideveldweg 33 (links) met rechts daarvan een 'moderne' woning die later eigendom werd van Herman Schiffers (Herschi) Foto stamt uit de tijd van vóór mijn jeugd
Bron: Rijckheyt | Zicht vanaf de steenberg van de ON IV op Heideveldweg 33 (links) met rechts daarvan een ‘moderne’ woning die later eigendom werd van Herman Schiffers (Herschi)
Foto stamt uit de tijd van vóór mijn jeugd
Bron: Rijckheyt | Zicht vanaf de spoorbaan op de huizen van de Heideveldweg. Het meest rechtse huis (Heideveldweg 33) werd bewoond door de familie Roelofs. De weduwe bouwde later rechts van het oude huis een nieuw huis. Na voltooiing kochten mijn ouders het oude huis. De lege voorgrond werd al snel volgebouwd met nieuwbouw waaronder een drietal flats aan de Vinkenstraat. Foto stamt uit de tijd van vóór mijn jeugd
Bron: Rijckheyt | Zicht vanaf de spoorbaan op de huizen van de Heideveldweg. Het meest rechtse huis (Heideveldweg 33) werd bewoond door de familie Roelofs. De weduwe bouwde later rechts van het oude huis een nieuw huis. Na voltooiing kochten mijn ouders het oude huis. De lege voorgrond werd al snel volgebouwd met nieuwbouw waaronder een drietal flats aan de Vinkenstraat.
Foto stamt uit de tijd van vóór mijn jeugd
Ingezonden verhaal

Ingezonden verhaal

Als lezer van HeerlenVertelt.nl zal het vaak voorkomen dat u gebeurtenissen, locaties of gebouwen herkent. Wanneer u graag zelf een verhaal hierover wilt schrijven en insturen kan dit natuurlijk!

2 thoughts to “In de wolken”

  1. Mooi verhaal, Hyppo!
    Ik ging vissen in de vijver bij Benzenrade (gesnapt door de boer, mocht je niet vissen) of de visvijver bij de Weltermolen, maar daar moest je betalen.

    1. Dank voor het compliment Rob. De vijver bij Benzerade kende ik niet, lag natuurlijk ook een eind uit de buurt. In de Weltervijver heb ik wel een enkele keer gevist maar die heeft bij mij de meeste indruk gemaakt als schaatsvijver. Vanuit school (Bernardinus) was dat namelijk prima te doen.

      In 1965 (meen ik) haalde mijn vader mij om moverende redenen van de lagere school op de Heksenberg af. Ik ‘verhuisde’ naar de lagere school aan de Heldevierlaan, een fantastische school waar ik mij al snel ontzettend thuis voelde. Een verademing met de stroeve, ouderwetse jongenschool van de Heksenberg.

      Vanwege de grote afstand mocht ik overblijven tussen de middag. Vanuit die school ontdekten we al snel de toen nog ontoegankelijke LTM-vijvers. Het water was glashelder, zodat je er uren in kon turen. Salamanders, stekelbaars, voorntjes. Het zat er allemaal. Ook karpers. Maar de meeste indruk maakten de snoekjes. Roerloos stonden die tussen de bedden met waterpest. Je kon ze bij wijze van spreken aanraken. Wat mij natuurlijk nooit gelukt is. Mooie tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *