Mijnschade op de Heerlerbaan

Een van de buitenwijken van Heerlen die het ergst te lijden heeft gehad van mijnschade, is ongetwijfeld Heerlerbaan geweest. Het was vooral in de 40er en 50er jaren, dat zich dit fenomeen openbaarde.

Tientallen huizen begonnen scheuren te vertonen en gingen verzakken. De dienst mijnschade van zowel de Staatsmijnen als ook de Oranje Nassau Mijnen, draaide overuren. Reeds begin 30er jaren begonnen zich de eerste tekenen van mijnschade te vertonen. De toren van de kerk begon los te komen en op 3 januari 1944 zag men zich al genoodzaakt, , uit veiligheidsoverwegingen, de spits van de toren af te halen. De rest van de toren was, van de voet uit gemeten, reeds 1.65 meter uit het lood geraakt. In de kerk zelf werden netten gespannen om de gelovigen tijdens de diensten tegen het vallend gesteente te beschutten. De toren was slechts een klein gedeelte va de schade aan de rest van het gebouw. De muren trokken scheef en er was geen wand meer in de hele kerk, die niet de tekenen van verval vertoonde. Het was al gebeurd, dat een brok steen uit een vlak nadat schoolkinderen de kerk hadden verlaten…

 

Mijnschade aan huis Fam. Bruls Keerweg, later woonde hier de familie Keulartz. | Bron: H. Bruls.

 

Er moesten in 1954 nog twee kolenlagen ontgonnen worden, zodat men daarná pas kon vaststellen, welke enorme ravage de mijnschade had aangericht. Vele jaren na de bouw bleek, dat de Heerlerbaanse kerk, gebouwd op de Heerlerheidestoring en boven een plaats, waar de afbouw van de mijnenvelden van de Oranje Nassau mijn I en de Staatsmijn Wilhelmina merkbaar werd aan de oppervlakte, ernstige scheuren ging vertonen. Ook het patronaat en het klooster kregen ernstig te lijden van de mijnschade. In het klooster leek ’t wel, of de afdeling mijnschade hier haar zetel had. Het ene euvel was nog niet verholpen, of het andere diende zich alweer aan! De oude jongensschool, de St. Josephschool, moest worden ontruimd. Weliswaar werd door de Oranje Nassau Mijnen aan de Dr. C1. Meulemanstraat een nieuwe school gebouwd, maar toch.

Door de enorme schade, die het patronaat had opgelopen, heeft ook het verenigingsleven ernstig geleden. Vergaderingen van en uitvoeringen door verenigingen konden niet doorgaan. In de winter van 1953/1954 werd door de afdeling mijnschade voor vele duizenden guldens hersteld, maar nog geen drie maanden later Vielen er alweer stukken steen uit de muren en bij de minste regenbui moest er weer gedweild worden. Zelfs de Heerlerbaanse zuigelingen ondervonden in de wintermaanden van 1955/1956 ernstige overlast door de mijnschade. In twee kamertjes van het parochiehuis zetelde immers ook het consultatiebureau van het Groene Kruis. Twee kamertjes, met een temperatuurverschil van 15 graden.

In het ene kamertje, waar het warm was, werden de baby’tjes uitgekleed en moesten door een tochtìge gang naar de kamer van de dokter gebracht worden, waar door scheuren en kieren een temperatuur heerste om bij te bibberen. Het mocht voor de verenigingen toentertijd een geluk heten, dat de kajotters enige jaren hiervoor een eigen gebouwtje hadden opgetrokken, waarvan zij nu haar zusterverenigingen mee konden laten profiteren. De ruimte was echter veel te klein voor de grotere verenigingen. Door gebrek aan ruimte was de studentenclub al een vroegtijdige dood gestorven. Dat de zaal van het patronaat moest worden gesloten was begrijpelijk. In juli werd deze door bouw— en woningtoezicht afgekeurd‚ juist toen R.K.H.B.S. een feestavond had aangekondigd. Hetzelfde overkwam de K.A.J. en was de zaal geducht onder handen genomen en opgelapt door stukadoors en schilders van de afdeling mijnschade. De kosten bedroegen 3000 gulden. Desondanks werd de zaal weer afgekeurd en nu voorgoed Dat deze gang van zaken maar matig werd geaccepteerd, hoeft geen betoog.

‘Hadden ze deze 3000 gulden maar onder de verenigingen verdeeld,’ was de veelgehoorde klacht en geheel ten onrechte was deze opmerking niet. Er werd wel door de twee mijnbedrijven, welke voor de schade aansprakelijk waren, toegezegd, een bedrag onder de verenigingen te verdelen.

In de Dr. Cl. Meulemanstraat moesten in die jaren verschillende mooie middenstandswoningen worden gesloopt of dichtgemetseld. Op de Zandweg ontstond van het ene op het andere moment een gat, waarvoor tientallen vrachtwagenritten nodig waren om dit met zand te vullen en de schade te herstellen. Vóór alles moest de toegang naar de Vroedvrouwenschool open blijven. In een van de huizen aan de Zandweg viel pardoes een voorgevel uit het huis. Het Vrusschemig terrein werd onbespeelbaar en later moest ook het mooie Sterrehuis het ontgelden. Er moesten aan tientallen huizen operaties verricht worden en niet alleen rond de Dr. Cl. Meulemanstraat. Voor de mijnen betekende deze gang van zaken een zwaar financieel offer, maar daar stond tegenover, dat zich in de grond kostbare antraciet bevond, welke in die tijd van genoemde antraciet schaarste ontgonnen moest worden.


Meer van het werk van Jo Nelissen over het leven en de gebruiken van de bewoners van de Heerlerbaan lees je in ‘Tussen Heerlerbaan en Vrusschemig’.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *